| Informatieblad 026 Munten |
|
|
| donderdag 17 juni 2010 | |
InleidingBij historisch of genealogisch onderzoek kun je in de bronnen verschillende munteenheden tegenkomen. Voor 1816 was er nog geen sprake van een uniform muntstelsel en werden er door de eeuwen heen verschillende munten door elkaar gebruikt. Ook in de bronnen van Brummen, Lochem en Zutphen zijn daarom verschillende munten terug te vinden. In dit informatieblad zullen we ingaan op het gebruik van de verschillende munten vanaf ca. 1400 tot de invoering van het Muntstelsel in 1816. Dit gebeurt aan de hand van met name de stadsrekeningen van Zutphen. Waar mogelijk zullen we de waarde van de munten toelichten aan de hand van enkele dagelijkse voorbeelden. De rekenmuntAan de hand van stadsrekeningen kan een goed beeld verkregen worden van de gebruikte munten in Zutphen en omgeving. Daarbij is het van belang te weten dat er onderscheid werd gemaakt tussen echte betaalmiddelen en de rekenmunt. Uiteindelijk werd alles in de rekeningen omgerekend naar de rekenmunt, die als standaard diende in de stadsrekeningen. Dit was meestal geen feitelijk geslagen munt, maar een eenheid die alleen op papier bestond. Wanneer iemand bijvoorbeeld stuivers als loon kreeg uitbetaald, werd dat in de rekening omgerekend naar de rekenmunt, bijvoorbeeld de gulden. De stadsrekeningen geven onder andere informatie over lonen en prijzen. Hierdoor is het mogelijk jezelf een idee te vormen van wat je ervan kon kopen. Een grote variëteit
In de late middeleeuwen bestond er een grote verscheidenheid aan betaalmiddelen. Er bestond nog geen eenheidsmunt voor de Nederlanden. Er waren allerlei verschillende munten van uiteenlopende metalen in omloop. De waarde van de munten hing nog direct samen met de intrinsieke waarde: de munt had dezelfde waarde als het materiaal waarvan het gemaakt was, bijvoorbeeld goud, zilver of koper. Het muntrechtHoewel de gulden als munteenheid al vanaf ongeveer 1250 in Nederland werd gebruikt, komen we hem in de stadsrekeningen van Zutphen pas vanaf 1500 met regelmaat tegen. Naast de rekengulden, kwamen er nog veel meer andere geslagen guldens voor, zoals bijvoorbeeld: de Carolus guldens, Hoorns guldens en Philips guldens, allemaal met hun eigen afwijkende waarde. Na het ontstaan van de Republiek in 1588 streefden de Staten-Generaal naar eenheid in het Nederlandse muntstelsel. Verschillende gewesten en steden hadden namelijk het recht hun eigen munten te slaan. In Gelderland werd aanvankelijk in Tiel en Nijmegen gemunt. Later werd door de Gelderse graven en hertogen voornamelijk in Arnhem en Nijmegen munt geslagen. Tijdens de 80-jarige Oorlog (1568-1648) is de munt naar Harderwijk verplaatst, waar deze tot 1802 is gebleven. In 1582-1583 werd daarnaast ook in Zutphen gemunt. Tijdens oorlogen leidde deze verspreiding van het muntrecht ertoe dat met name provincies het gewicht of het gehalte aan goud en zilver van de munten omlaag brachten. Zo wilden zij de oorlog financieren. Hierdoor werd de waarde van de munten echter ernstig aangetast. De Staten-Generaal wilden dit in de toekomst door meer eenheid zien te voorkomen. Op weg naar de muntwetLange tijd bleven gewesten en steden zich verzetten tegen uniformering van het muntstelsel. Toch kwam een dergelijk stelsel in 1606 tot stand. Hoewel gewesten nog wel eigen munten sloegen, met verschillende afbeeldingen, werd de waarde overal gelijk. In de Zutphense stadsrekeningen is het gevolg van deze maatregel goed te zien: hoewel er nog wel verschillende guldens voorkomen, is omrekenen naar de rekenmunt niet langer nodig. De gebruikte guldens waren van gelijke waarde. Pas omstreeks 1800 kwam er een einde aan de muntslag in de verschillende provinciën en werd er centraal munt geslagen. Na een uitstapje naar de Franse frank ten tijde van de inlijving bij Frankrijk keert de gulden snel weer terug in de Nederlanden. Op 18 september 1816 wordt een muntwet aangenomen. Hierin wordt vastgelegd dat de Nederlandse gulden in 100 cent wordt onderverdeeld. De waarde van een munt
Zoals hierboven vermeld kon bijvoorbeeld oorlog een negatief effect hebben op de waarde. Er werden bijvoorbeeld munten met een lager zilvergehalte geslagen. Ook het snoeien van munten kwam regelmatig voor: er werden stukjes metaal van de munten afgeknipt of gevijld. Deze valsmunterij werd vroeger met de dood bestraft. Vanaf 1749 werden bij alle zilveren en gouden munten een kartelrand aangebracht, om het snoeien te voorkomen. Lonen en prijzen: 1400-1600
In de zomer van 1390 verdiende een timmerman voor een dag werken ongeveer 7,5 groten, ofwel een halve pond. Van dit dagloon kon hij ongeveer een 700 gram rogge kopen, wat goed was voor ongeveer anderhalf roggebrood. In 1457 verdiende een timmerman 4,5 kromstert op een dag. Dit is iets minder dan één stuiver, ofwel 1/8 pond (de rekenmunt op dat moment). Van een dergelijk dagloon kon hij tien liter bier of drie kilo rogge halen, waarvan ongeveer zes roggebroden gebakken konden worden. Prijzen van dergelijke levensmiddelen (want bier was in die tijd geen luxe, maar een alternatief voor vervuild drinkwater!) waren duidelijk erg variabel. Lonen en prijzen: 1600-1800De lonen waren stijgende en deze (landelijke) trend zou zich nog wel even voortzetten. Rond 1650 verdienden een scheepstimmerman en zijn knecht samen één gulden (de rekenmunt) en acht stuivers op een winterdag. Een gulden was indertijd ongeveer 28 stuivers. In 1700 betaalde je voor een liter bier een stuiver. De graanprijzen waren in deze periode historisch laag, wat voor de arbeiders in de steden natuurlijk gunstig nieuws was. In de tweede helft van de achttiende eeuw verandert dit drastisch. Hoewel informatie over de daglonen schaars is, weten we dat de lonen in deze periode erg laag waren en de graanprijzen zeer snel stijgend. Het maandloon van een scheepstimmerman rond 1770 varieerde van ca. 25 tot 50 gulden, afhankelijk van de hoeveelheid werk. Daarvan moesten de kosten voor het materiaal meestal nog worden afgetrokken. Uit een Brummense rekening uit 1750 is bekend dat een dakdekker in de winter zestien stuivers per dag verdiende en in de zomer achttien. Eén liter bier was toen al twee stuivers. De prijzen van graan bleven landelijk tot in het eerste kwartaal van de negentiende eeuw stijgen. Dit had ook in de regio Zutphen grote gevolgen voor de bevolking. Een gezin was soms meer dan driekwart van het inkomen kwijt aan het kopen van brood! De munten in de bronnenDe munten worden in de bronnen met afkortingen weergegeven. Soms kan het herkennen van de verschillende muntsoorten dan lastig zijn. De pond wordt bijvoorbeeld regelmatig afgekort door lb. In eerste instantie lijkt dit onlogisch, tot men zich bedenkt dat libra het latijnse woord voor pond is. De s kan afhankelijk van de tijd, verschillende betekenissen hebben. Rond 1400 is het vaak een schild, in de loop van de vijftiende eeuw meestal een schelling. De stuiver wordt herkenbaar afgekort met st, evenals de gulden: gl. Bij deze laatste ligt er echter een adder onder het gras: er waren vaak meerdere soorten guldens in omloop, zo is een een car gl een carolus gulden, terwijl een rijns gl en een stat gl een heel andere waarde hadden. Dan zijn er nog de pl of pla voor placken, de dls voor daalders en ook de f of fl voor guldens omstreeks 1800. Wanneer je de originele bron bestudeert, is het dus van groot belang eerst duidelijk voor ogen te hebben welke munten in die tijd gangbaar waren en hoe ze in de omgeving van Zutphen werden genoemd en afgekort. Wanneer er transcripties van bronnen zijn, wordt in de inleiding vaak aanvullende informatie gegeven over de rekenmunt en de waarde van de verschillende eenheden. Dit maakt het begrijpen van de soms erg ingewikkelde muntstelsels een stuk gemakkelijker! Literatuur en websites
Kijk ook zeker bij:
|

