| Informatieblad 020 Weeskamer |
|
|
| dinsdag 22 december 2009 | ||||||||||||||||||||||
Wat is een weeskamer?In de veertiende eeuw tot 1810 (de inlijving van de Nederlanden bij het Franse keizerrijk) bestonden in Nederland weeskamers. Deze overheidscolleges, ook wel momboirkamers genoemd, waren belast met het toezicht op het beheer van de bezittingen van minderjarige wezen en personen die 'onmondig' waren. De weesmannen of weesmeesters werden meestal door het plaatselijke bestuur benoemd. Dit waren betrouwbare en financieel onafhankelijke mannen die vaak ook een rol in het plaatselijke bestuur speelden. In Holland, Zeeland, de stad Groningen en een aantal plaatsen in Brabant, Utrecht in Gelderland waren dergelijke colleges te vinden. Ook in Zutphen was een weeskamer. De weeskamers moesten voorkomen dat familieleden aan de haal gingen met de nagelaten bezittingen van de ouder van een minderjarig kind. De taken van de weeskamer werden in 1810 overgenomen door de nieuwe rechterlijke organisatie (voogdijrecht). Weeskamers bleven tot 1852 een slapend bestaan leiden. In 1852 werd een Algemene Commissie van Liquidatie ingesteld om de openstaande zaken van de weeskamers af te handelen. De commissie spoorde de rechtmatige eigenaren op van de goederen die de weeskamers nog in beheer hadden. Deze eigenaren hadden toen zij meerderjarig werden geen aanspraak gemaakt op de nalatenschap waar ze recht op hadden. Om het werk goed te kunnen uitvoeren, moest op verzoek de administratie van de weeskamer bij de commissie ingeleverd worden. Goederen en gelden waarvan de rechtmatige eigenaar niet opgespoord kon worden, vervielen aan de staat. De commissie werd in 1880 opgeheven. De administratie van de verschillende weeskamers werd op verzoek teruggestuurd naar de betreffende stad.
Werkwijze Bij het overlijden van één of beide ouders van minderjarige kinderen was de echtgenoot of een familielid verplicht hiervan aangifte te doen bij de weeskamer. Dit moest afhankelijk van de weeskamer gebeuren binnen 14 dagen tot één maand. De aangever moest melden (en aantonen) of de voogdij over de nagelaten kinderen was geregeld of dat dit door de weeskamer gedaan moest worden. Ouders konden via een testament de voogdij regelen of via een akte van seclusie voorkomen dat de weeskamer toezicht op de nalatenschap kreeg. Meestal werd in een dergelijke akte of testament de voogdij opgedragen aan de langstlevende echtgenoot. Deze ouder kreeg dan het recht om zelf een tweede voogd aan te wijzen. De voogd was verplicht om een akte van acceptatie te overleggen aan de weeskamer. Als er niets geregeld was voor de kinderen, dan benoemde de weeskamer de voogden en hield vervolgens toezicht op het beheer dat de voogden over de boedel uitoefenden. De voogdij werd meestal toegekend aan de overlevende echtgenoot. Daarbij werd dan een tweede voogd, meestal een mannelijk familielid van de overledene, aangewezen. Het aannemen van het voogdijschap was een sociale verplichting en "kon" dus ook niet zomaar geweigerd worden. Ouderdom en het wonen in / verhuizen naar een veraf gelegen plaats waren wel geaccepteerde redenen om de voogdij te weigeren of op te zeggen. Het toezicht eindigde zodra de kinderen meerderjarig waren. De meerderjarige kreeg dan ook de nagelaten bezittingen. Om een overzicht van de bezittingen en schulden van de nalatenschap te krijgen, moesten voogden zorgen voor een boedelinventaris waarin het erfdeel van de wees was benoemd. De spullen werden meestal in bijzijn van de voogd getaxeerd. De weeskamer stelde de inventaris vast en bekeek vervolgens wat er moest gebeuren. De weduwe/weduwnaar kon de kinderen uitkopen. Het geld werd dan tegen rente belegd of uitgeleend. Als de wezen niet uitgekocht werden, kregen de wezen hun erfdeel bij het bereiken van meerderjarigheid. Deze nalatenschap werd dan tot de laatste wees van het gezin meerderjarig was, beheerd door de voogd en eventuele weduwe/weduwnaar. Wezen mochten niet met schulden worden belast. Als er bij het overlijden al meteen duidelijk was dat er meer schulden dan baten waren, konden de erfgenamen afstand doen van het nalatenschap. Er ontstond dan een desolate boedel. Een boedelinventaris werd dan niet opgemaakt.
Wezen
Minderjarig / meerderjarig
Weeshuis De Zutphense weeskamerIn 1623 heeft het stadsbestuur (magistraat) opdracht gegeven om een reglement op te stellen voor het stichten van een weeskamer. Op 10 april 1624 stelde de magistraat het reglement vast en benoemde zij de eerste weesmeesters: E. Op ten Noord, J. Wentholt, G. Van Langen en J. Cremer. De weeskamer bestond uit leden van de magistraat en de burgerij. De weesmeesters werden voor vier jaar aangesteld om binnen de stad Zutphen toezicht te houden op de goederen van de weeskinderen en verstandelijk beperkten die niet zelf voor hun spullen konden zorgen. De weeskamer had één keer per week zitting; eerst op maandag later op vrijdag. Op verzoek kwamen de weesmeesters ook op andere tijden bijeen. Iedereen die door de bode van de weeskamer opgeroepen was om voor de weeskamer te verschijnen, was verplicht om op het aangegeven tijdstip langs te komen met de eventueel gevraagde papieren. Mensen die niet verschenen of de gevraagde papieren niet op tijd inleverden, konden rekenen op een boete. De opgeroepen mensen waren familieleden van de overledene die voogden moesten voordragen, aspirant voogden, voogden die bijvoorbeeld boedelinventarissen in moesten leveren of andere personen die de weesmeesters wilden spreken. Mensen waren verplicht om te melden als er na een overlijden wezen achterbleven. Ook de doodgraver moest via de koster aan de weeskamer doorgeven wie er was overleden. Voor het taxeren van de nalatenschap stelde de magistraat taxateurs aan. De weeskamer beschikte over een secretaris die de protocollen bijhield en de aangeleverde documenten bewaarde.
Wat vind ik in het weeskamerarchief?In het archief zijn de volgende stukken te vinden:
De protocollen/weesboeken waar de akten chronologisch zijn ingeschreven vormen de kern van het weeskamerarchief. Het archief van de Zutphense weeskamerHet RAZ beheert het archief van de Zutphense weeskamer. In 1880 heeft de stad het archief van de weeskamer teruggekregen van het Rijk (Algemene commissie van Liquidatie). Het archief is onderdeel geweest van het Oud Archief Zutphen, maar wordt nu gescheiden bewaard. Het archief is in het verleden nat geweest. Door de waterschade zijn niet alle stukken goed leesbaar. Het archief bevat stukken uit de periode 1624-1818. De kern van het archief wordt gevormd door de protocollen (1624-1810). Daarnaast zijn per jaar of periode minuten van het protocol (1744-1811), losse stukken (1757-1804) en enkele stukken van na 1805 opgenomen. De protocollen zijn verfilmd en zijn op microfiche te raadplegen in de studiezaal. In de studiezaal is ook een index aanwezig die het zoeken naar de wezen vergemakkelijkt. Het archief bevat ook een lijst met alle namen van de weesmeesters. Daarnaast zijn ordonnanties (verordeningen) bewaard gebleven. Geen weeskamer aanwezig / Buiten de stad ZutphenLang niet overal was het overheidstoezicht op de financiële belangen van minderjarige wezen aan een apart college (weeskamer) uitbesteed. Vaak werd toezicht gehouden door de plaatselijke besturen of de gerechten zelf. Er was ook niet overal sprake van dwingende voorschriften met betrekking tot toezicht. In het gebied rondom Zutphen waren de rechtsprekende colleges belast met de zorg voor de wezen. Zie voor de gebiedsindeling en terminologie: Informatieblad 012 Oud-Rechterlijke Archieven. Onderstaande tabel geeft een overzicht waar wezenprotocollen te vinden zijn bij het Regionaal Archief Zutphen (RAZ) en het Gelders Archief (GA). Naast de protocollen bevatten de archieven ook bijlagen, losse stukken, boedelbeschrijvingen en dossiers over specifieke personen. In het ORA Veluwe en Veluwezoom (waartoe Brummen behoorde) wordt gesproken over momberschapsverborgingen. Kijk in een inventaris ook onder de kopjes Civiele rechtspraak/voogdijzaken en voluntaire (vrijwillige) rechtspraak. Ook hier zijn akten te vinden over voogdij en boedels.
Valkuilen/tips
|
||||||||||||||||||||||

